Basisinstellingen

Nadat de installatie is voltooid, kunt u de standaardinstellingen van het apparaat opgeven. Raadpleeg het volgende hoofdstuk om waarden in te stellen of te wijzigen. In dit hoofdstuk wordt stap voor stap uitgelegd hoe u het apparaat instelt.

Luchtdrukaanpassing

De afdrukkwaliteit wordt beďnvloed door de atmosferische druk die wordt bepaald door de hoogte boven het zeeniveau waarop het apparaat zich bevindt. Aan de hand van de volgende informatie kunt u uw apparaat instellen voor een optimale afdrukkwaliteit.

Ga na op welke hoogte u zich bevindt en stel de juiste hoogte in.

  1. Hoog 1

  2. Hoog 2

  3. Hoog 3

  4. Normal

  1. Dubbelklik op het pictogram voor Smart Panel in het systeemvak van Windows of in het "Notification Area" van Linux. U kunt ook op Smart Panel in de statusbalk van Mac OS X klikken.

    Als u daarentegen Windows gebruikt, kunt u het programma opstarten door in het menu Start Programma’s of Alle programma’s > Samsung Printers > naam van uw printerstuurprogramma > Smart Panel te selecteren.

  2. Klik op Instelling printer.

  3. Klik op Instelling > Luchtdrukaanpassing. Selecteer de juiste waarde in de vervolgkeuzelijst en klik op Toepassen.

[Note]
  • Als uw apparaat verbonden is met een netwerk verschijnt automatisch het venster SyncThru™ Web Service. Klik op Machine Settings > System Setup > Machine Setup > Altitude Adj. Selecteer de juiste hoogte en klik op Apply.

  • Als uw apparaat verbonden is met een USB-kabel, stelt u de hoogte in met de optie Luchtdrukcorr. op het display van het apparaat.

De taal op het display wijzigen

Voer de volgende stappen uit om de taal die op het display verschijnt te wijzigen.

  1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  2. Druk op de pijl-links/rechts tot Systeeminst. verschijnt en druk op OK.

  3. Druk op de pijl-links/rechts tot Apparaatinst. verschijnt en druk op OK.

  4. Druk op de pijl-links/rechts tot Taal verschijnt en druk op OK.

  5. Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste taal verschijnt.

  6. Druk op OK om uw keuze op te slaan.

  7. Druk op Stop/Clear om terug te keren naar de stand-bymodus.

Datum en tijd instellen

Zodra u tijd en datum hebt ingesteld, worden ze gebruikt in uitgesteld faxen en uitgesteld afdrukken. Ze worden afgedrukt op rapporten. Als ze echter verkeerd zijn, moet u ze wijzigen.

[Note]

Als de stroomtoevoer naar het apparaat wordt onderbroken, moet u de datum en tijd opnieuw instellen zodra de stroomtoevoer is hersteld.

  1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  2. Druk op de pijl-links/rechts tot Systeeminst. verschijnt en druk op OK.

  3. Druk op de pijl-links/rechts tot Apparaatinst. verschijnt en druk op OK.

  4. Druk op de pijl-links/rechts tot Datum en tijd verschijnt en druk op OK.

  5. Voer met behulp van de pijl-links/rechts of het numerieke toetsenblok de juiste tijd en datum in.

    Maand = 01 tot 12,

    Dag = 01 tot 31,

    Jaar = vereist vier cijfers,

    Uur = 01 tot 12,

    Minuut = 00 tot 59,

    en u kunt ook AM of PM selecteren.

  6. Druk op OK om uw keuze op te slaan.

  7. Druk op Stop/Clear om terug te keren naar de stand-bymodus.

De klokmodus wijzigen

U kunt uw apparaat zo instellen dat de tijd wordt weergegeven in de 12-uursnotatie of de 24-uursnotatie.

  1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  2. Druk op de pijl-links/rechts tot Systeeminst. verschijnt en druk op OK.

  3. Druk op de pijl-links/rechts tot Apparaatinst. verschijnt en druk op OK.

  4. Druk op de pijl-links/rechts tot Klokmodus verschijnt en druk op OK.

  5. Druk op de pijl-links/rechts om de andere modus te selecteren en druk op OK.

  6. Druk op Stop/Clear om terug te keren naar de stand-bymodus.

De standaardmodus wijzigen

Het apparaat is standaard ingesteld op kopiëren. U kunt de standaardmodus instellen op faxmodus of kopieermodus.

  1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  2. Druk op de pijl-links/rechts tot Systeeminst. verschijnt en druk op OK.

  3. Druk op de pijl-links/rechts tot Apparaatinst. verschijnt en druk op OK.

  4. Druk op de pijl-links/rechts tot Standaardmodus verschijnt en druk op OK.

  5. Druk op de pijl-links/rechts om de gewenste modus te selecteren.

  6. Druk op OK om uw keuze op te slaan.

  7. Druk op Stop/Clear om terug te keren naar de stand-bymodus.

Geluidsinstellingen

U kunt de volgende geluidsinstellingen aanpassen:

  • Toetsgeluid: Hiermee kunt u het geluid van de toetsen Aan of Uit zetten. Als deze optie is ingesteld op Aan weerklinkt er een toon telkens als er op een toets wordt gedrukt.

  • Waarsch.geluid: Hiermee kunt u de waarschuwingstoon Aan of Uit zetten. Als deze optie is ingesteld op Aan hoort u een waarschuwingsgeluid als er een fout optreedt of als de faxcommunicatie wordt beëindigd.

  • Luidspreker: Hiermee kunt u de weergave van geluiden van de telefoonlijn via de luidspreker (bijv. een kies- of faxtoon) Aan of Uit zetten. Als deze optie is ingesteld op Communicatie, ("Common"), staat de luidspreker aan tot het externe apparaat reageert.

    [Note]

    U kunt het volume regelen met behulp van On Hook Dial. Als uw apparaat een handset heeft, kunt u het volume met de handset regelen.

  • Belsignaal: stelt het volume van de beltoon in. Het beltoonvolume kunt u instellen op Uit, Laag, Midden of Hoog.

Luidspreker, beltoon, toetsgeluid en alarmgeluid

  1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  2. Druk op de pijl-links/rechts tot Systeeminst. verschijnt en druk op OK.

  3. Druk op de pijl-links/rechts tot Geluid/Volume verschijnt en druk op OK.

  4. Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste geluidsoptie verschijnt en druk op OK.

  5. Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste status of het gewenste volume voor het geselecteerde geluid verschijnt en druk vervolgens op OK.

  6. Herhaal indien nodig de stappen 4 tot en met 5 om andere geluiden in te stellen.

  7. Druk op Stop/Clear om terug te keren naar de stand-bymodus.

Luidsprekervolume

Om het volume te regelen via On Hook Dial:

  1. Druk op (Faxen) op het bedieningspaneel.

  2. Druk op On Hook Dial. U hoort een kiestoon uit de luidspreker.

  3. Druk op de pijltoetsen tot u het gewenste volume hoort.

  4. Druk op On Hook Dial om de wijziging op te slaan en terug te keren naar de stand-bymodus.

Als uw apparaat een handset heeft:

  1. Neem de handset. U hoort een kiestoon uit de luidspreker van de handset.

  2. Druk op de pijltoetsen tot u het gewenste volume hoort.

  3. Druk op OK om de wijziging op te slaan en plaats de handset terug.

    [Note]

    U kunt het volume van de luidspreker alleen wijzigen als de telefoonlijn open is.

Tekens via het numerieke toetsenblok invoeren

U zult voor verschillende taken namen en nummers moeten invoeren. Bij de installatie van uw apparaat moet u bijvoorbeeld uw naam of de naam van uw bedrijf en het faxnummer invoeren.

Alfanumerieke tekens invoeren

  1. Als u gevraagd wordt om een letter in te voeren, zoekt u de toets met het gewenste teken. Druk een aantal keren op deze toets tot de gewenste letter op het display verschijnt.

    Om de letter O in te voeren, drukt u bijvoorbeeld op cijfertoets 6 met opschrift MNO.

    Telkens wanneer u op cijfertoets 6 drukt, verschijnt een andere letter op het display, M, N, O, m, n, o en ten slotte 6.

    U kunt speciale tekens invoeren, zoals een spatie, plusteken enzovoort. Meer informatie vindt u in het gedeelte hieronder.

  2. Als u nog meer letters wilt invoeren, herhaalt u stap 1.

    Als de volgende letter op dezelfde knop staat, verplaatst u de cursor door op de pijl-links/rechts te drukken en vervolgens op de knop met de gewenste letter. De cursor gaat naar rechts en de volgende letter verschijnt op het display.

    U kunt een spatie invoeren door twee keer op 1 te drukken.

  3. Na het invoeren van de letters drukt u op OK.

Letters en cijfers op het toetsenblok

[Note]

Enkele van de volgende sleutelwaarden verschijnen mogelijk niet afhankelijk van de taak die u uitvoert.

Toets

Toegewezen cijfers, letters of tekens

1

@ / . ‘ 1

2

A B C a b c 2

3

D E F d e f 3

4

G H I g h i 4

5

J K L j k l 5

6

M N O m n o 6

7

P Q R S p q r s 7

8

T U V t u v 8

9

W X Y Z w x y z 9

0

& + - , 0

*

*

#

#

Cijfers of namen corrigeren

Wanneer u zich bij het invoeren van een nummer of naam hebt vergist, drukt u op de pijl-links/rechts om het laatste cijfer of teken te wissen. Voer vervolgens het juiste cijfer of teken in.

Een pauze invoegen

Voor sommige telefooncentrales moet u eerst een toegangscode (bijvoorbeeld een 9) intoetsen en vervolgens wachten tot u een tweede kiestoon hoort. In dat geval moet u in het telefoonnummer een pauze invoegen. U kunt een pauze invoegen bij het instellen van snelkiesnummers. Druk op de juiste plaats op Redial/Pause om een pauze in te voeren tijdens het invoeren van het telefoonnummer. A – verschijnt op het display op de overeenkomstige locatie.

Gebruik van besparende modi

De functie tonerspaarstand gebruiken

In de tonerspaarstand beperkt het apparaat de hoeveelheid toner per afgedrukte pagina. Zo gaat uw tonercassette langer mee dan in normale modus. Dit gaat evenwel ten koste van de afdrukkwaliteit.

  1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  2. Druk op de pijl-links/rechts tot Systeeminst. verschijnt en druk op OK.

  3. Druk op de pijl-links/rechts tot Apparaatinst. verschijnt en druk op OK.

  4. Druk op de pijl-links/rechts tot Tonerbesparing verschijnt en druk op OK.

  5. Druk op de pijl-links/rechts tot Aan verschijnt en druk op OK.

  6. Druk op Stop/Clear om terug te keren naar de stand-bymodus.

    [Note]

    Bij het afdrukken vanaf een pc kunt u de tonerspaarstand ook in- of uitschakelen in de printereigenschappen.

De energiebesparingsfunctie gebruiken

Gebruik deze functie om energie te besparen als u het apparaat niet gebruikt.

  1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  2. Druk op de pijl-links/rechts tot Systeeminst. verschijnt en druk op OK.

  3. Druk op de pijl-links/rechts tot Apparaatinst. verschijnt en druk op OK.

  4. Druk op het pijltje naar links/rechts tot Energ.spaarst. verschijnt en druk op OK.

  5. Druk op de pijl-links/rechts tot de gewenste tijdsduur verschijnt.

  6. Druk op OK om uw keuze op te slaan.

  7. Druk op Stop/Clear om terug te keren naar de stand-bymodus.

De standaardlade en het papier instellen

U kunt de lade en het papier selecteren die u standaard wilt gebruiken voor uw afdruktaken.

Via het bedieningspaneel

Het papierformaat instellen

  1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  2. Druk op de pijl-links/rechts tot Systeeminst. verschijnt en druk op OK.

  3. Druk op de pijl-links/rechts tot Papierinstel. verschijnt en druk op OK.

  4. Druk op de pijl-links/rechts tot Papierformaat verschijnt en druk op OK.

  5. Druk op de pijl-links/rechts om de gewenste papierlade te selecteren en druk op OK.

  6. Druk op de pijl-links/rechts om het gewenste papierformaat te selecteren.

  7. Druk op OK om uw keuze op te slaan.

  8. Druk op Stop/Clear om terug te keren naar de stand-bymodus.

Het papiertype instellen

  1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  2. Druk op de pijl-links/rechts tot Systeeminst. verschijnt en druk op OK.

  3. Druk op de pijl-links/rechts tot Papierinstel. verschijnt en druk op OK.

  4. Druk op de pijl-links/rechts tot Type papier verschijnt en druk op OK.

  5. Druk op de pijl-links/rechts om de gewenste papierlade te selecteren en druk op OK.

  6. Druk op de pijl-links/rechts om het gewenste type papier te selecteren.

  7. Druk op OK om uw keuze op te slaan.

  8. Druk op Stop/Clear om terug te keren naar de stand-bymodus.

De papierbron instellen

  1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  2. Druk op de pijl-links/rechts tot Systeeminst. verschijnt en druk op OK.

  3. Druk op de pijl-links/rechts tot Papierinstel. verschijnt en druk op OK.

  4. Druk op de pijl-links/rechts tot Papierinvoer verschijnt en druk op OK.

  5. Druk op de pijl-links/rechts tot Kopieerlade of Faxlade verschijnt en druk op OK.

  6. Druk op de pijl-links/rechts om de gewenste papierlade te selecteren.

  7. Druk op OK om uw keuze op te slaan.

  8. Druk op Stop/Clear om terug te keren naar de stand-bymodus.

Op de computer

Windows

  1. Klik op het menu Start in Windows.

  2. In Windows 2000 selecteert u Instellingen > Printers.

    • Voor Windows XP/Server 2003 selecteert u Printers en faxapparaten.

    • In Windows Server 2008/Vista selecteert u Configuratiescherm > Hardware en geluiden > Printers.

    • In Windows 7 selecteert u Configuratiescherm > Hardware en geluiden > Apparaten en printers.

    • In Windows Server 2008 R2 selecteert u Configuratiescherm > Hardware > Apparaten en printers.

  3. Klik met de rechtermuisknop op uw apparaat.

  4. In Windows XP/Server 2003/Server 2008/Vista drukt u op Voorkeursinstellingen voor afdrukken....

    In Windows 7 en Windows Server 2008 R2 selecteert u Voorkeursinstellingen voor afdrukken... in het snelmenu.

    [Note]

    Als bij het item Voorkeursinstellingen voor afdrukken... het teken ► staat, kunt u andere printerstuurprogramma’s voor de geselecteerde printer selecteren.

  5. Klik op het tabblad Papier.

  6. Selecteer een lade en de bijbehorende opties, zoals het papierformaat en de papiersoort.

  7. Druk op OK.

[Note]

Als u een speciaal papierformaat wilt gebruiken (zoals factuurpapier), opent u het tabblad Papier en selecteert u Formaat > Bewerken... onder Voorkeursinstellingen voor afdrukken (zie Voorkeursinstellingen openen).

Macintosh

Macintosh-gebruikers moeten de standaardinstelling handmatig wijzigen als ze op basis van andere instellingen willen afdrukken.

  1. Open een Macintosh-toepassing en selecteer het bestand dat u wilt afdrukken.

  2. Open het menu Archief en klik op Druk af.

  3. Ga naar het paneel Papierinvoer.

  4. Stel de juiste lade in van waaruit u wilt afdrukken.

  5. Ga naar het paneel Papier.

  6. Stel het papiertype in op basis van het papier dat in de lade werd geplaatst van waaruit u wilt afdrukken.

  7. Klik op Druk af om het afdrukken te starten.

Linux

  1. Open het Terminal Program.

  2. Wanneer het terminalvenster verschijnt, typt u het volgende: [root@localhost root]# lpr <bestandsnaam>

  3. Selecteer Printer en klik op Eigenschappen…

  4. Klik op het tabblad Advanced.

  5. Selecteer de lade (papierinvoer) en de bijbehorende opties, zoals papierformaat en papiersoort.

  6. Druk op OK.

Time-out voor taken instellen

Als er gedurende een bepaalde tijdspanne geen gegevens worden ingevoerd, sluit het apparaat het huidige menu af en worden de standaardinstellingen geladen. U kunt instellen hoe lang het apparaat moet wachten.

  1. Druk op Menu op het bedieningspaneel.

  2. Druk op de pijl-links/rechts tot Systeeminst. verschijnt en druk op OK.

  3. Druk op de pijl-links/rechts tot Apparaatinst. verschijnt en druk op OK.

  4. Druk op de pijl-links/rechts tot Time-out taak verschijnt en druk op OK.

  5. Voer met behulp van de pijl-links/rechts of het numerieke toetsenblok de tijd in.

  6. Druk op OK om uw keuze op te slaan.

  7. Druk op Stop/Clear om terug te keren naar de stand-bymodus.